Nederland is een belastingparadijs voor de superrijken. Filantropen geven gul, maar ontwijken vaak de normale belastingen. Volgens de Amerikaanse schrijver en politiek analist Anand Giridharadas is deze liefdadigheid een sigaar uit eigen doos: ‘Veel rijke mensen geven liever tien miljoen aan goede doelen dan vijf miljoen aan belastingen. Filantropie in de Verenigde Staten omvat meer dan 400 miljard dollar per jaar.’
Aristoteles beweerde al in zijn Politica – een sleuteltekst in de geschiedenis van het westerse politieke denken – dat het noodzakelijk is dat rijkdom een grens kent. ‘Want,’ stelt hij, ‘zodra iemand zich bezighoudt met vermogensvermeerdering, zal hij snel proberen zijn kapitaal tot in het oneindige te vergroten en dat dient geen enkel doel.’ Wordt het tijd om deze stelling opnieuw serieus te bekijken?
We vroegen Anand Giridharadas welke rol Nederland speelt, als belastingparadijs. Daarop stelt hij: ‘In de Verenigde Staten, mijn land, zijn er kinderen die geen ziekenzorg krijgen, omdat Nederland als belastingparadijs optreedt voor Amerikaanse bedrijven.’
Het klinkt als een dooddoener, toch is het zo: de rijken worden alsmaar rijker, terwijl de armen alsmaar armer worden. Zouden we daarom, naast een armoedegrens, niet ook een bovengrens voor vermogens moeten invoeren.
Waarom belasten we de rijken niet net als gewone burgers? En wat zou het opleveren als we dat wel zouden doen?

